Delen uit Neef Wim zijn Bestaan

Neef Wim woont met zijn Moeder niet in een dorp en ook niet in een stad. Het stelt allemaal niet zo veel voor, daar waar Wim woont. Veel huizen staan er niet en al helemaal geen huizen met veel verdiepingen en het aantal mensen blijft ook ver onder het landelijke gemiddelde. Wim zit graag in atlassen en aardrijkskundeboeken te bladeren. Het liefst in grote atlassen, want het omslaan van de bladen van een grote atlas geeft altijd zo'n fijn windvlaagje over Neefs handen en soms in zijn gezicht, als hij een beetje voorover gaat zitten. Dan kan Wim het vlaagje zelfs ruiken. Ruik ik nu de atlas, de lucht, of zit er iets in de lucht van het land op de bladzijde die ik nu omsla. In geen enkele atlas van enig belang is Neef Wim zijn woonplaats te vinden. Waar woon ik nu eigenlijk, vraagt Wim zich vertwijfeld af. Maar dan kijkt hij naar buiten, naar het gras, de vogels en de strak betegelde tuin van zijn Moeder. Zijn omgeslagen stemming klaart snel weer op: 'Hier natuurlijk', denkt Wim blij.

De Dieren in hun Omgeving

Het mooiste vindt Neef Wim de dierenwereld in zijn natuurlijke omgeving. Dan worden ze niet zenuwachtig en gedragen ze zich zonder dat ze steeds hoeven te denken: wat vinden de andere dieren ervan? of: wat vinden de mensen ervan die van alle kanten staan te kijken met camera’s en verrekijkers? Want als dieren na gaan denken en hun natuurlijke instincten uit het oog verliezen, dan kun je net zo goed een vervelend boek gaan lezen, vindt Neef.

nopopup

Als Neef Wim naar de kermis gaat, wil hij het liefst een paar guldens mee van Moeder, anders kan hij nergens in. Moe haar guldens rammelen in de broekzak van zijn broek en roepen stuk voor stuk: Ik wil er uit! Ik wil naar die kermisjuffrouw achter dat raampje met dat ronde gat erin! Neef Wim zou wel eens willen weten hoe die juffrouw dat ronde gat in dat raampje van dat kleine kamertje heeft gekregen. Als Neef klaar is met de kermis gaat hij weer naar huis. Hij geeft alle guldens terug aan Moe, omdat hij weet dat zij ze wel beter gebruiken kan.

Neef Wim droomt vaak. En meestal gaat dat over het varen met een boot. Als Neef zijn droom niet over varen met een boot gaat, dan droomt Wim zelfs liever niet. 'Dat hele gedroom hoeft voor mij niet meer', zegt hij in die gevallen 's morgens tegen zijn lieve Moeder, als die er tenminste aan gedacht heeft bij haar zoon te informeren naar de kwaliteit van zijn noodzakelijke nachtrust. In zijn droom is Wim de Kapitein van een grote boot. Alle matrozen staan op een ordelijke rij aan de railing, klaar om de reddingboten belangeloos overboord te zetten, want ongeveer halverwege de nacht dient zich meestal een drenkeling aan in Wim zijn droom. Daarna stopt de droom en begint het langdurige wakker liggen. 'Had ik maar een diploma', denkt Wim dan de hele tijd.