Delen uit Neef Wim zijn Bestaan

Neef Wim droomt vaak. En meestal gaat dat over het varen met een boot. Als Neef zijn droom niet over varen met een boot gaat, dan droomt Wim zelfs liever niet. 'Dat hele gedroom hoeft voor mij niet meer', zegt hij in die gevallen 's morgens tegen zijn lieve Moeder, als die er tenminste aan gedacht heeft bij haar zoon te informeren naar de kwaliteit van zijn noodzakelijke nachtrust. In zijn droom is Wim de Kapitein van een grote boot. Alle matrozen staan op een ordelijke rij aan de railing, klaar om de reddingboten belangeloos overboord te zetten, want ongeveer halverwege de nacht dient zich meestal een drenkeling aan in Wim zijn droom. Daarna stopt de droom en begint het langdurige wakker liggen. 'Had ik maar een diploma', denkt Wim dan de hele tijd.

Neef heeft een besluit genomen. Het gebeurde plotseling, op een avond, in zijn bed, toen het nog licht was en er eerst het getier van spelende en zingende kinderen die van hun Moeder nog buiten mochten zijn en daarna het geluid van een vreselijk auto-ongeluk door het openstaande raam naar binnen kwam. Ik wil graag zorgvuldig leven, dat bedacht hij. Daarna viel hij rustig in slaap, maar de volgende ochtend begonnen de problemen pas goed. Waar moest hij beginnen? Zou het zijn manier van voortbewegen zijn, de manier waarop hij zijn goedkope kleren aantrok of het smeren en eten van boterhammen?  Het moest niet te langzaam gaan en andere mensen mochten het ook best zien, dat er wat aan de hand was met Neef, met zijn zorgvuldige leven.

Op een dag, toen er verder niets leek te gebeuren in de kleine wereld van Neef, zocht hij zijn moeder op in hun bescheiden woning. Hij begon op de zolder, waar hij gebukt ging door de stoffige balken die op ooghoogte bevestigd waren om de constructie van het huisje in stand te houden. Daar was zijn Moeder niet. Ook op het verdiepinkje daaronder, waar zich de slaapvertrekjes van Neef en zijn Moeder bevonden, was zij niet. Dan maar naar beneden! En jawel hoor, in de keuken, daar stond Moeder, met bezweet onderlijf in de enorme wasketel te roeren met de houten stok die zij ook voor boswandelingen zou gebruiken als zij een liefhebber van bos was geweest. Dat zij daar was, wist Neef Wim ook wel, maar hij wilde zijn Moeder zoeken, niet zomaar plompverloren naar haar toe lopen. Dan was de lol van het weerzien er meteen af.

Neef heeft zijn ogen niet in zijn zak zitten als hij buiten is. Hij kijkt wel uit. 'Wie weet, vind ik iets op straat en zo niet, dan is er altijd wel een of ander landschap of stadsgezicht dat zich voor mijn ogen ontrolt als ik een beetje oplet. En zo'n landschap is best de moeite waard, of het nou in de bebouwde kom is of daarbuiten.' In het miezerige dorpje waar Neef woont met zijn Geweldige Moeder zijn het de gevels en de bakstenen die zich kunnen verheugen in Neefs belangstelling. Een landschap zonder bebouwing staat meestal vol gras of bomen of anders wel levende have. Een afgrond heeft Wim nog nooit gezien, dus hij vraagt zich af of hij dat nog eens zal meemaken. En wat hij daarover aan Moeder zou vertellen.